mooie woorden voor een wonderbaarlijk 2012

bezinning samengesteld uit werk van Ben Okri, Rainer Maria Rilke, David Foster Wallace, Jan Lauwereyns

Wij zijn in het leven gezet, als het element waarin wij het beste passen, en wij zijn bovendien zo sterk op dit leven gaan lijken dat wij, als we ons rustig houden, door een gelukkige mimicry nauwelijks te onderscheiden zijn van alles wat ons omgeeft. We hebben geen reden tot argwaan jegens onze wereld, want zij is niet tegen ons. Heeft zij verschrikkingen, dan zijn het onze verschrikkingen. [ ] Misschien is al het verschrikkelijke in diepste wezen wel het hulpeloze dat ons om hulp vraagt.

De enige hoop ligt in het scheppen van alternatieve waarden, alternatieve werkelijkheden. De enige hoop ligt in de durf om je plek in de wereld opnieuw te dromen – een mooie activiteit van de verbeelding en langdurige activiteit van het zelf worden. [ ]

We moeten ook het vuur van de liefde hebben om de bevroren stromen van binnen te ontdooien. We moeten onbevangen, met nieuwe ogen naar elkaar kijken. Dat moeten we blijven doen. Elke dag.

Maar als je echt hebt geleerd hoe je moet denken en aandachtig naar de wereld moet kijken, dan weet je dat je alternatieven hebt. Dan ligt het feitelijk binnen je vermogen om een drukke, hete, trage, [ ]vijandige situatie niet alleen als betekenisvol te ervaren maar tevens als heilig en bezield van het krachtige vuur dat ook de sterren ooit heeft aangestoken: medegevoel, liefde, de eenheid van alle dingen onder de oppervlakte.

En toch heb ik daar mijn eigen hart voor nodig.
Waar is mijn hart?
Buiten.
Het wil overal zijn, in alle dingen.
Overal en nergens?
Hoe kan mijn hart naar ‘buiten’?
Via mijn inlevingsvermogen?
Door andere perspectieven te nemen. Door mij voor te stellen dat ik een aap ben, een stoel, een wolk in de hemel, een appartementsgebouw – om te voelen wat zij voelen, om te begrijpen wat zij begrijpen.
Ik treed buiten mijn grenzen, en doe een oefening in het luchtledige. Alsof ik niet besta, en toch tegelijk wel. Alsof ik niet beperkt ben tot ‘mij’. Alsof ik ‘mij’ kan opgeven om deel uit te maken van alles – alles onder de grote hemel, alles in het heelal.

Daarvoor is het hart broodnodig – het hart dat een hart heeft voor alle harten. [ ] Meer nog, als de mens een diersoort is die mag blijven bestaan, dan is het enkel en alleen omdat, en voor zover dat, er mensen zijn die onzelfzuchtig streven naar wat goed is voor alle harten. Noem mij na├»ef, maar ik geloof dat alle mensen dat willen, of zouden willen kunnen willen.